Op kleigrond wordt inundatie veelvuldig toegepast om aardappelmoeheid (AM) en Meloidogyne chitwoodi te beheersen. Is deze techniek op dalgrond ook doeltreffend? In een tweejarig onderzoek neemt HLB dit onder de loep. Tijdens de HLB Veld- en Kennisdag op 9 juli werden voorlopige inzichten gedeeld.
Drie akkerbouwers uit de Veenkoloniën klopten enkele jaren geleden aan bij HLB. Werkt inundatie ook als AM-beheersing op dalgrond? Tot dusver was hier nog weinig onderzoek naar gedaan, dus HLB startte in 2025 met een inundatieproef.
Inrichting van de proefpercelen
Op drie locaties werd een perceel ingericht voor inundatie. Het perceel dat tijdens de Veld- en Kennisdag werd gedemonstreerd vroeg om een speciale aanpak met onder andere een brede dijk om het perceel en drie compartimenten voor het opvangen van het hoogteverschil.
Tijdens het inundatieproces wordt met behulp grondmonsters het aantal levende larven in de bodem gemeten. Het doel hiervan is het opstellen van een plan voor AM-beheersing met behulp van inundatie op dalgrond.
Andere richtlijnen nodig op dalgrond
“Op kleigrond is twaalf weken inundatie de richtlijn vanuit de NVWA”, vertelt Ilva van Dam, projectleider bij HLB. “Op dit moment zitten we in week negen van de inundatieproef en is het aantal levende larven met de helft afgenomen. Dat is al een mooi resultaat, maar met de voorgeschreven twaalf weken ben je er waarschijnlijk nog niet. Wat de juiste inundatieduur wel is, proberen we te achterhalen.”
Daar komt bij dat het inundatieprotocol op kleigrond gericht is op Globodera pallida, maar dat Globodera rostochiensis in deze regio steeds vaker voor komt. Vandaar dat deze nematodensoort ook in het onderzoek wordt meegenomen.
Rendement en kosten van inundatie
Een belangrijk onderdeel van dit onderzoek is de invloed van inundatie op het rendement. “Inundatie is een arbeidsintensief en kostbaar proces. Ook de waterbeschikbaarheid is op dalgrond niet overal even vanzelfsprekend, dus dat nemen we ook mee.”
Lange inundatieduur
Vorig jaar werd bij HLB een potproef uitgevoerd die maar liefst 38 weken werd geïnundeerd. Deze tijd was nog steeds niet voldoende om het aantal levende larven volledig terug te brengen. “Dit was heel erg frustrerend, want deze inundatieduur zou in de praktijk niet haalbaar zijn”, deelt Van Dam.
Een mogelijke verklaring voor deze tegenvallende resultaten was dat de proef in de herfst werd uitgevoerd. “In deze tijd van het jaar gaan de cysten vermoedelijk al in rust”, legt Van Dam uit. “Mogelijk zijn ze hierdoor minder gevoelig voor inundatie. Daarom hebben we dit jaar de inundatieproef in het voorjaar gestart.”
Herstel van bodemleven
“We hopen dat op dit perceel de AM-besmetting naar nul gaat, het liefst een stuk sneller dan vorig jaar”, spreekt Van Dam uit. Volgend jaar wordt het herstel van het bodemleven op dit perceel gevolgd om de langetermijneffecten in kaart te brengen. Welke soorten micro-organismen keren als eerste terug na inundatie en hoelang duurt het voordat het bodemleven weer op een acceptabel niveau is? En welke onkruidsoorten keren als eerste terug?
Nematoden gevoelig maken voor inundatie
Ook zal de combinatie van vanggewassen en inundatie worden geanalyseerd. Door het toevoegen van een aardappel als vanggewas voor- of na inundatie hopen de onderzoekers de nematoden gevoeliger te maken voor inundatie.
Daarnaast wordt in deze proef gekeken wat de invloed van inundatie is op omliggend water en milieu, onder andere door het monitoren van eventuele uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen door inundatie. Ook wordt de invloed van de temperatuur op inundatie gevolgd. “Dit zou op dalgrond namelijk nog wel anders kunnen zijn dan op klei, doordat een andere grondsoort anders werkt.”
Jonge en oude cysten bestrijden
Gelijktijdig voert HLB potproeven met Globodera rostochiensis-geïnfecteerde grond. Van Dam deelt voorlopige resultaten. Hierbij is grond met drie jaar oude cysten en jonge cysten van afgelopen seizoen vergeleken. Hieruit bleek dat de leeftijd van de cysten wel degelijk invloed heeft op het krimpen van de populatie. Het aantal jonge cysten nam sneller af. “Ook in dit geval was een inundatieduur van twaalf weken echt niet genoeg.”
Heel wat anders dan op kleigrond
Tijdens de HLB Veld- en Kennisdagis dit onderzoek nog in volle gang, maar volgens Van Dam is al wel duidelijk dat inundatie op dalgrond anders verloopt dan op kleigrond. Door de combinatie van een andere grondsoort en een ander soort aardappelcystenaaltje is het moeilijk in te schatten hoe effectief het inundatieproces proces zal zijn. Ook verschillen de omgevingsfactoren, waardoor het aanleggen en onderhouden van een perceel voor de akkerbouwer anders uitpakt.
Van Dam: “Er is best nog wel wat onderzoek nodig om meer te weten te komen over inundatie in de Veenkoloniën. Uiteindelijk hopen we met deze inundatieproef een nieuwe tool te vinden om probleempercelen met AM in deze regio een mogelijkheid tot herstart te bieden.”
Tekst en beeld: Kim Sjoers




