Afgelopen teeltseizoen dook SBR (Syndroom Basses Richesses) opnieuw op in Nederland in de suikerbieten. Elma Raaijmakers is onderzoeker aan insecten bij IRS en geeft eind november een update aan de Akkerbouwkrant. “Tot nu toe zijn er zes monsters waarin aantasting met SBR is aangetoond, maar er worden nu nog steeds monsters onderzocht.
In 2023 is de ziekte ook al vier keer aangetoond in Nederland. SBR wordt vaak in één adem genoemd met RTD, oftewel Rubbery Taproot Disease, maar dat is op dit moment nog niet aangetoond.”
Ze zoomt in op de percelen waarvan monsters zijn ingestuurd bij IRS: “Daar is maar weinig aantasting. Er is hier en daar een gele biet. Er is op dit moment weinig impact op de opbrengst. Dat betekent dat we SBR in een vroeg stadium hebben aangetoond. We kunnen het nu goed onder de aandacht brengen en sectorbreed tijdig inzetten op bestrijding. Daarmee hebben we goede voorwaarden dat het niet zo uit de hand loopt als in sommige regio’s in Duitsland.”
Zowel SBR als RTD kunnen ook voorkomen in aardappelen, peen, uien en rode biet. Tot nu toe is alleen SBR in Nederland enkel in suikerbieten aangetoond. Raaijmakers nuanceert: “Maar we hebben ook meer bietenmonsters ontvangen dan monsters uit andere gewassen.”
Voorspellen lastig
“Vooruitkijken naar het komende seizoen, wat betreft deze ziekten, is lastig”, aldus Raaijmakers. “In Duitsland kwamen de grote problemen drie tot vier jaar na de eerste aantasting. Maar Duitsland heeft andere bouwplannen en andere grondsoorten. We weten bijvoorbeeld nog niet wat de impact is van de grondsoort op de verspreiding van deze ziekten. Daarom zijn we hard bezig met verder onderzoek.”
Zo gaat IRS ook komend jaar verder met het monitoren van glasvleugelcicaden, die de besmetting overbrengen. Met plakvallen wordt de verspreiding van deze cicaden gevolgd.
Ander bouwplan, maar hoe?
De meest effectieve bestrijding is gebiedsbreed kiezen voor een ander bouwplan: geen wintergranen na een aangetast gewas, maar in het najaar zwarte braak. In Duitsland is dit op een aantal plekken succesvol. Raaijmakers legt uit: “Door braak honger je in het najaar de larven van de glasvleugelcicade uit, want die voeden zich dan aan de wortels van wintergranen. En dit is ook dé plek waar de volwassen glasvleugelcicade zijn levenscyclus kan voltooien. Vanuit wintergranen vliegt hij weer uit om nieuwe percelen te infecteren. Ze vliegen ongeveer vijf kilometer, vandaar dat een gebiedsbrede aanpak met een ander bouwplan nodig is.”
Ze benadrukt: “Het gaat niet om de voorvrucht, maar welk gewas je teelt na aantasting. Wintergranen? Dan houd je de ziekte in stand.” De vraag is dan wel: wat kan er in plaats van wintergranen? Een ander bouwplan ligt niet zomaar voor het oprapen, door allerlei eisen. “Dit is nog een belangrijke, onbeantwoorde vraag, die prioriteit heeft in het onderzoek. Zo start er begin 2026 een PPS-project om hier sectorbreed in Nederland aan te werken.”
Voorbereid naar het nieuwe seizoen
Lees ook: Stand van het gewas: Voorbereid naar het nieuwe seizoen.
Tekst: Kirsten van Valkenburg
Beeld: Beeldarchief Prosu




