Nu het aantal beschikbare insecticiden afneemt, zoeken pootgoedtelers naar andere manieren om virusbesmettingen te voorkomen. Het gebruik van luizengaas biedt daarbij mogelijkheden, vooral in de eerste generaties pootgoed. Volgens Agrifirm kan het gaas een extra virusvrije generatie opleveren en daarmee het risico op klasseverlagingen beperken. Ook in de praktijk groeit de belangstelling voor deze vorm van bescherming.
De toenemende belangstelling voor luizengaas hangt volgens Corné Spelde, teeltadviseur bij Agrifirm, samen met tegenvallende resultaten bij de nacontrole van pootgoed. Vooral bij virusgevoelige rassen kan een besmetting in de eerste generaties grote gevolgen hebben voor de verdere vermeerdering.
“Ik denk dat S-telers in de toekomst niet meer zonder luizengaas kunnen”, stelt Corné Spelde aan het begin van het interview. “We hebben steeds minder insecticiden tot onze beschikking en klasse verlagingen kunnen we ons eigenlijk niet permitteren. Door luizengaas te gebruiken weet je 99 procent zeker dat je geen virus krijgt in je PB1 materiaal. Dat is bekend uit onderzoek.”
Extra bescherming voor de eerste generaties
Het principe van luizengaas is niet nieuw. Stammentelers gebruikten vroeger al luizentunnels om miniknollen te beschermen tegen bladluizen, die virussen kunnen overbrengen. Agrifirm begon zes jaar geleden met proeven om te onderzoeken welk gaas geschikt is voor toepassing op grotere oppervlakten.
Volgens Spelde kan het afdekken van PB1-pootgoed met luizengaas ervoor zorgen dat het uitgangsmateriaal langer virusvrij blijft. Hij verwijst naar onderzoek waaruit volgens hem blijkt dat het gaas ongeveer 99 procent zekerheid biedt tegen virusbesmetting in PB1-materiaal. “Met luizengaas verleng je feitelijk de binnenteelt van je miniknollen. Je wint er een virusvrije generatie mee”, aldus Spelde.
Zonder luizengaas wordt volgens de teeltadviseur bij virusgevoelige rassen soms al in de PB2-generatie een aanzienlijke hoeveelheid virus aangetroffen.
Gaas blijft tot na de loofdoding liggen
Het luizengaas wordt vóór de opkomst van de aardappelen aangebracht en blijft liggen tot na de loofdoding. Zowel het uitrollen als het oprollen kan mechanisch gebeuren. De zijkanten moeten wel worden afgesloten, bijvoorbeeld met waterslangen of grond, zodat bladluizen niet onder het gaas kunnen komen.
Bij de teeltplanning vraagt het gebruik van gaas wel om enkele aanpassingen. Zo adviseert Spelde om de bemesting en onkruidbestrijding zoveel mogelijk uit te voeren voordat het gaas wordt aangebracht. Water en spuitdruppels kunnen volgens Agrifirm door het gaas heen. Daardoor blijven beregening en bespuitingen tegen phytophthora mogelijk. Het gaas houdt namelijk wel bladluizen tegen, maar geen phytophthorasporen.
Investering verdelen over meerdere teeltjaren
Volgens Spelde gebruikt inmiddels ongeveer tien procent van zijn pootgoedklanten luizengaas. Sommige telers passen het al vijf jaar toe. De levensduur van het gaas is belangrijk voor de kosten per teeltjaar. Agrifirm importeert een gaastype dat volgens het bedrijf door de hoge uv-bestendigheid zes tot acht jaar meegaat.
Daarmee kunnen telers de aanschafkosten over meerdere seizoenen verdelen. Hoe aantrekkelijk de investering uiteindelijk is, hangt onder meer af van de oppervlakte waarop het gaas wordt toegepast en de mate waarin virusbesmettingen en klasseverlagingen worden voorkomen.
Pootgoedteler Gebbink beschermt PB1 met luizengaas
Pootgoedteler Matthijs Gebbink uit Espel gebruikt sinds dit seizoen luizengaas op 0,75 hectare PB1-pootgoed. Hij zocht al langer naar aanvullende maatregelen om virusbesmettingen te beperken. Naast de gebruikelijke bespuitingen met olie en luizenmiddelen experimenteerde hij met stro tussen de aardappelruggen en twee producten uit de groep biostimulanten. Door deze maatregelen te combineren, ontwikkelde hij naar eigen zeggen een bruikbare aanpak. Toch bleef hij zoeken naar een oplossing die ook op langere termijn toepasbaar is.
“De luizendruk neemt toe en het middelenpakket krimpt”, vertelt Gebbink. Hij wilde daarom investeren in een methode die hij ook over tien jaar nog kan gebruiken. Voordat hij besloot luizengaas aan te schaffen, bezocht hij verschillende collega’s die er al ervaring mee hadden. Hun praktische tips hielpen hem bij de keuze.
Voor het aanbrengen van het gaas schakelde hij De Nettenleggers in, het bedrijf van Jeroen Nijenhuis en Riny van Tiggelen. “Dat ging super”, blikt Gebbink terug. “Je zag zo dat die mannen het vaker hadden gedaan.”
Gewasbescherming blijft mogelijk
Volgens Gebbink levert het gaas tijdens de gebruikelijke teeltwerkzaamheden weinig problemen op. Wel moet hij rekening houden met de bemesting. “Kunstmestkorrels kunnen niet door het gaas, maar ik geef al mijn bemesting aan de basis, dus overbemesting is niet aan de orde”, legt hij uit. Ook de gewasbescherming kan volgens de teler gewoon doorgaan, omdat de spuitdruppels door het gaas heen komen.
Gebbink gebruikt het luizengaas voorlopig alleen voor zijn PB1-materiaal. De eerdere strategie met stro en biostimulanten past hij nu toe bij de PB2-generatie. Volgens hem versterken de verschillende maatregelen elkaar. Door het uitgangsmateriaal zo lang mogelijk virusvrij te houden, verwacht hij dat ook de bescherming in volgende generaties effectiever wordt.
Luizengaas als onderdeel van virusbeheersing
Hoewel Gebbink nog maar kort ervaring heeft met luizengaas, is hij positief over de eerste praktijkervaringen. De aanschaf vergde een aanzienlijke investering, maar hij verwacht de kosten over vijf tot zes jaar te kunnen verdelen. Voor hem speelt vooral mee dat de methode niet afhankelijk is van de beschikbaarheid van insecticiden.
Ook Agrifirm verwacht dat fysieke bescherming met luizengaas een grotere rol gaat spelen in de vermeerdering van hoogwaardig pootgoed. Vooral voor telers die het risico op virusbesmettingen in de eerste generaties willen beperken, kan het een aanvulling zijn op bestaande maatregelen.
Bron: Agrifirm




