De proeven van Van Iperen en UIreka op de Uiendag 2026 maken één ding duidelijk: bij uien wordt water steeds minder een verzekeringsmaatregel en steeds meer een productiefactor. Vooral in een droog seizoen kan het verschil groot zijn. Op het rekenbord van Van Iperen wordt uitgegaan van 35 ton per hectare niet beregend, 55 ton per hectare met beregenen en 75 ton per hectare met fertigatie. Bij een uienprijs van 0,20 euro per kilo (vijfjarig gemiddelde) komt het berekende saldo daarmee uit op respectievelijk 100, 2.600 en 5.100 euro per hectare.
Dat is geen garantie voor ieder perceel, maar het laat wel zien hoe snel de extra kosten van fertigatie kunnen worden terugverdiend als de opbrengst die daar tegenover staat groot genoeg is. Van Iperen rekent met circa 3.000 euro per hectare aan extra kosten voor fertigatie. Ten opzichte van alleen beregenen is er dan ongeveer 7,5 ton extra opbrengst nodig om hetzelfde saldo te behalen. In het rekenvoorbeeld is het verschil twintig ton. Dan wordt de economische ruimte aanzienlijk.

Waterbeschikbaarheid bepaalt steeds meer de opbrengst
UIreka kwam in hun systeemproef tot dezelfde hoofdvraag, maar pakte die breder aan. In totaal zijn er 14 objecten waarin teeltsysteem, plantdichtheid, watergift en bemesting zijn gecombineerd. UIreka vergelijkt in de systeemproef verschillende teeltvormen en -strategieën. Zo liggen er objecten met vlakveldsteelt, verhoogde bedden en ruggen van 50 en 75 centimeter. Binnen die systemen is er ook gevarieerd met rijafstand en plantverdeling. Dit door bijvoorbeeld de buitenste rijen dichter te zaaien.

Daarnaast is de watergift op verschillende manieren aangestuurd. Een deel van de objecten krijgt een vaste gift van 90 millimeter, terwijl andere objecten water krijgen op basis van een groeimodel of een vochtsensor. Ook in de bemesting wordt gevarieerd: vaste basis- en bijbemesting wordt vergeleken met fertigatie, waarbij nutriënten via de druppelirrigatie zijn toegediend.


In 2026 bleek vooral de beschikbaarheid van water doorslaggevend. Bij de optimaal gestuurde objecten liep de watergift volgens de toelichting tijdens de rondgang op tot circa 225 millimeter verdeeld over 44 druppelbeurten. Daarbij werd de vochttoestand voortdurend gevolgd en voorkomen dat het gewas onder de ingestelde waterstressgrens zakte.
Voor telers zit daar misschien wel de belangrijkste les. Van belang is niet alleen hoeveel water er wordt gegeven, maar vooral wanneer en hoe vaak dit gebeurt.
50 centimeter-rug trekt aandacht
Tijdens de rondgang maakten vooral de 50 centimeter-ruggen met twee rijen en driptape een sterke indruk. De gedachte is dat water en voeding daar geconcentreerd beschikbaar komen in de actieve wortelzone.
Een definitieve winnaar is nog niet aan te wijzen. UIreka verwerkt de opbrengst- en sorteringsresultaten pas na de oogst en verwacht in november met een definitieve vergelijking te kunnen komen. Wel gaf de veldstand al aan dat systemen waarin het vocht goed beschikbaar bleef duidelijk beter door het droge seizoen kwamen.
Bemesting breder dan alleen fertigatie
UIreka vergelijkt niet alleen verschillende manieren van water geven, maar ook vaste kunstmestbemesting tegenover fertigatie via de druppelslang. Daarmee wordt onderzocht welke combinatie van teeltsysteem, watergift en bemesting het beste presteert.
Binnen die lijn lichtte Lennard Bos van Anglo American op de Uiendag POLY4 toe. Deze natuurlijke polyhaliet-meststof wordt rond of vlak vóór het zaaien als basisgift toegepast en levert in één product kalium, zwavel, magnesium en calcium. Daarmee bevat POLY4 een belangrijk deel van de mineralen die nodig zijn voor een goede start én voor de verdere opbouw van de bolkwaliteit gedurende het seizoen. De nutriënten komen geleidelijk beschikbaar, waardoor de voorziening niet alleen rond de start van de teelt plaatsvindt maar ook later in het seizoen doorwerkt.
Kalium ondersteunt de bolgroei en opbrengst, magnesium is belangrijk voor de fotosynthese en zwavel speelt een rol bij bolvorming en kwaliteit. Calcium is vooral interessant met betrekking tot de stevigheid en bewaarkwaliteit, omdat het bijdraagt aan sterke celwanden en daarmee aan een harde, goed bewaarbare bol.
POLY4 dekt niet de volledige stikstof- en fosfaatbehoefte. Stikstof wordt aanvullend gegeven, bijvoorbeeld met KAS/CAN, terwijl de fosfaatgift is afgestemd op de bodemanalyse. Daarmee past POLY4 in een strategie waarbij de minerale basis vooraf wordt gelegd en water en aanvullende voeding tijdens de teelt gericht worden bijgestuurd.
Van Iperen zoekt de volgende stap: finetunen
Van Iperen ging ook nog verder in op de praktische instellingen van het fertigatiesysteem. De proefvelden laten zien dat het niet alleen gaat over de keuze vóór of tegen fertigatie, maar om de vraag hoe je het systeem optimaal inricht.
Een goed voorbeeld is de vergelijking tussen één en vijf keer per week bemesten via de druppelslang. In 2025 gaf vijf keer per week bemesten volgens Van Iperen circa zeven ton per hectare aan meeropbrengst. In de proef van 2026 draaide dat beeld om: één keer per week bemesten kwam uit op 87,6 ton bruto per hectare, waarvan 58 procent in de maat 60+. Bij vijf keer per week bemesten lag de bruto-opbrengst op 84,1 ton per hectare, met 52 procent in de maat 60+.
Dat laat zien dat vaker voeden niet automatisch beter is. De optimale doseerfrequentie hangt mede af van de bodem, vochttoestand, wortelactiviteit en weersomstandigheden. Juist daarom is meerjarig onderzoek nodig om te bepalen wanneer vaker fertigeren wel en niet voordeel oplevert.


Plantverdeling stuurt vooral op grofte
Ook de manier van zaaien op de rug wordt onderzocht. Bij de 75 centimeter-rug gaf het standaardobject ongeveer 48 procent uien in de maat 60+, terwijl objecten met twee brede rijen en vier rijen op de rug uitkwamen op respectievelijk 68 en 65 procent in de maat 60+. De totale bruto-opbrengst lag daarbij niet hoger dan bij de standaardrug. De winst lijkt dus vooral in de grovere sortering te zitten.


Daarbij moet wel worden meegenomen dat de gerealiseerde plantstand in deze objecten lager lag. Minder planten betekent meer ruimte per plant en kan dus mede verklaren waarom de maatverdeling naar grover verschuift.

Verhoogd bed springt eruit
Een ander opvallend resultaat bij Van Iperen is het verschil tussen vlakveld en verhoogd bed. Het standaard vlakveldobject kwam uit op 66,4 ton bruto per hectare, terwijl het verhoogde bed op 83,2 ton per hectare uitkwam. Omdat beide objecten vergelijkbare hoeveelheden druppelwater en regen kregen, is dat verschil interessant. Mogelijk spelen factoren als wortelruimte, bodemstructuur en de beschikbaarheid van water en zuurstof in het verhoogde bed een rol.


Machineleveranciers spelen in op de trend met het aanbieden van bedvormers achter de rotorkopeg. Zoals Koeckhoven.net die een Moreni met eigen bedvormer op het machineplein tentoonstelde.

Buitenste rijen dichter zaaien
UIreka kijkt daarnaast naar een relatief eenvoudige optimalisatie. De buitenste rijen van een bed 10 tot 15 procent dichter zaaien. Daar hebben planten meer licht en wortelruimte en worden de uien vaak grover. Door juist daar meer planten neer te zetten, probeert UIreka die extra groeiruimte om te zetten in extra vermarktbare kilo’s zonder de rest van het bed zwaarder te bezetten.
Ook dit resultaat moet nog worden doorgerekend na de oogst en sortering. Maar het principe is voor telers interessant omdat het laat zien dat opbrengstverbetering niet altijd uit meer water of meer mest hoeft te komen. Ook een andere verdeling van dezelfde hoeveelheid zaad kan rendement opleveren.
Implicaties voor teeltjaar 2027
De proeven geven nog geen standaardrecept, maar wel een aantal duidelijke denkrichtingen voor het komende teeltseizoen. Zo verdient watermanagement een centrale plek in het teeltplan. Niet pas reageren wanneer het gewas zichtbaar droog staat, maar vooraf bepalen hoe water beschikbaar blijft in de actieve wortelzone.
Druppelirrigatie combineren met gerichte plantvoeding naar behoefte. Juist de mogelijkheid om water en nutriënten in kleine hoeveelheden en op het juiste moment toe te dienen levert belangrijke optimalisatie in opbrengst ten opzichte van beregenen.
Het teeltsysteem hoort bij die keuze. Rugbreedte, rijverdeling, verhoogde bedden en ligging van de druppelslang bepalen mede hoe efficiënt water en voeding worden benut.
Sturen op sensoren of gewasbehoefte verdient aandacht. Een groeimodel of vochtsensor kan helpen om veel dichter op de werkelijke behoefte te sturen.
Kijk niet alleen naar tonnen, maar ook naar sortering en saldo. Een systeem dat dezelfde bruto-opbrengst geeft, maar aanzienlijk meer uien in de maat 60+ produceert, kan economisch interessanter zijn.
Samenstelling: Jan Geert Vedelaar




