Volgens de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) blijft een doordachte aanpak cruciaal als het gaat om bemesting. Niet alleen om aan de regelgeving te voldoen, maar ook om bodemkwaliteit, nutriëntenbenutting en opbrengst in evenwicht te houden. Het juiste moment, de juiste techniek en een aangepaste dosis vormen daarbij de basis voor een efficiënt bemestingsbeheer.
Startdata en aandachtspunten
Minister Brouns besliste dat bemesting op grasland vanaf 9 februari mogelijk is met meststoffen van type 2, zoals drijfmest en digestaat. Voor meststoffen van type 3 geldt 16 februari als startdatum. Voor alle andere gewassen blijft 16 februari van kracht, terwijl voor maïs en aardappelen zonder voorteelt pas vanaf 16 maart mag worden bemest. Stalmest mocht al vanaf 16 januari worden toegediend. Toch benadrukt VLM dat de kalender slechts een kader biedt. De draagkracht van het perceel blijft doorslaggevend. Wanneer de bodem te nat is, neemt het risico op structuurschade en bodemverdichting toe. Daardoor kan de gewasgroei later in het seizoen worden geremd. Bovendien is het belangrijk om de dosis af te stemmen op de groeistart van het gewas. Gras begint bijvoorbeeld pas net te groeien, waardoor een beperkte gift aangewezen is. Zo wordt nutriëntenverlies vermeden en blijft de bodemkwaliteit beter behouden.
Wijzigingen door MAP 7
- Voor maïs en late aardappelen zonder voorteelt start de uitrijperiode pas op 16 maart.
- De AGR-GPS-app is verplicht bij burenregelingen voor vloeibare mest en bij transport van vaste mest naar mestverwerking.
- Tussen 1 juli en 31 december is AGR-GPS ook verplicht voor eigen mest op eigen grond.
- In gebiedstypes 2 en 3 moet vloeibare mest in diezelfde periode via een erkend mestvoerder worden vervoerd, behalve voor grasland en blijvende teelten.
- De maximale stikstofnorm werd verlaagd in de gebiedstypes 1, 2 en 3. De reductie kan (gedeeltelijk) gecompenseerd worden via duurzame terugverdienpraktijken.
- Gebruik van kantstrooitechnieken bij het strooien van vaste kunstmest en driftreductie bij vloeibare kunstmest wordt verplicht in de loop van 2026.
Slim bemesten
VLM wijst op zes basisprincipes voor slim bemesten. Eerst en vooral is het belangrijk om enkel te bemesten wanneer bodem en gewas dat toelaten. Daarnaast helpt een mest- en bodemanalyse om de juiste meststof en hoeveelheid te bepalen. Ook het timingprincipe speelt een rol, omdat nutriënten pas efficiënt zijn wanneer het gewas ze kan opnemen. Verder beperken aangepaste uitrijtechnieken verliezen, terwijl nauwkeurig werken overlap voorkomt. Ten slotte draagt een doordachte teeltrotatie bij aan een gezonde bodem.
Landbouwer Jan Lamberts uit Londerzeel toont aan dat doordachte bemesting werkt. Door teeltrotatie, vanggewassen en het volgen van bemestingsadviezen behaalt hij goede opbrengsten met beperkte mestgiften en gunstige nitraatresidu’s. “Ik heb zelf al ondervonden dat je geen grote hoeveelheden moet opbrengen om een goede opbrengst te hebben. Doorgaans breng ik in het voorjaar wat drijfmest op, aangevuld met een klein beetje kunstmest. En dan bemest ik bij afhankelijk van wat de vrucht nodig heeft. Bemestingsadviezen volg ik wel op, zeker voor suikerbieten en aardappelen. Bladbemesting reserveer ik voor aardappelen. Op tarwe voer ik bijna geen dierlijke mest op.”
Bron: VLM




