CO₂ in de bewaarschuur krijgt steeds meer aandacht, maar blijft in de praktijk een lastig te sturen factor. Een recent bericht van DLV Advies onderstreept dat: de vraag is niet of CO₂ oploopt, maar wanneer dat problematisch wordt en actie nodig is. Voor akkerbouwers die aardappelen of uien bewaren, zit daar een duidelijk spanningsveld. Want CO₂ kan zowel helpen als schade veroorzaken.
Wat gebeurt er met CO₂ in bewaring?
Tijdens de bewaring produceren producten continu CO₂ door ademhaling. In een gesloten of goed geïsoleerde cel kan dat gas zich ophopen, zeker als er beperkt wordt geventileerd. Volgens DLV Advies is een verhoogd CO₂-gehalte op zichzelf niet direct verkeerd. Het kan zelfs een remmend effect hebben op kieming. Maar dat voordeel slaat om zodra concentraties te hoog worden of te lang aanhouden. Dan ontstaan risico’s zoals interne verkleuring bij aardappelen of kwaliteitsverlies dat pas later zichtbaar wordt.
Wanneer wordt ingrijpen noodzakelijk?
De kern uit het bericht is duidelijk: niet elke piek is een probleem, maar de duur en hoogte van de CO₂-concentratie bepalen het risico. Vooral langdurig verhoogde waarden zijn kritisch. Juist daar gaat het in de praktijk vaak mis. Telers zien een oplopende lijn, maar grijpen niet direct in omdat de temperatuur nog goed is of omdat ventileren energie kost. Volgens DLV Advies is dat precies het moment waarop alertheid nodig is. Wachten kan ertoe leiden dat schade zich opbouwt zonder dat die direct zichtbaar is.
Meten helpt, maar vraagt ook interpretatie
Steeds meer bedrijven meten CO₂ in de bewaring. Dat sluit aan bij de oproep om bewaring breder te benaderen dan alleen temperatuur en vocht. Tegelijk schuilt daar een valkuil: meten zonder duiding. Een getal op zichzelf zegt weinig. Het gaat om het verloop en de context. Belangrijke vragen zijn: stijgt de CO₂ structureel, hoe lang blijft het niveau verhoogd en sluit de ventilatie nog aan op de situatie in de cel? Juist die combinatie bepaalt of ingrijpen nodig is.
Balans tussen remming en risico
Voor akkerbouwers komt het neer op balanceren. Iets hogere CO₂ kan functioneel zijn, bijvoorbeeld om kieming te beperken. Maar dat vraagt om controle. De praktijkvraag is dan ook: laat je het bewust iets oplopen, of kies je voor zekerheid en ventileer je eerder? Die keuze hangt samen met het bewaardoel. Voor lange bewaring of kritische afzet weegt productkwaliteit zwaarder. In andere gevallen kan er meer ruimte zijn.
Wat betekent dit voor de praktijk?
CO₂ is geen bijzaak meer in bewaring. Het vraagt om actief sturen en continu bijhouden. Concreet betekent dat dat telers CO₂ structureel meenemen in de monitoring, niet alleen naar temperatuur kijken maar naar het totaalplaatje en eerder ingrijpen bij langdurige stijgingen. Daarbij blijft het besef belangrijk dat schade vaak pas later zichtbaar wordt. Daarmee verschuift bewaring steeds meer van instellen en volgen naar gericht bijsturen gedurende het hele bewaarseizoen.
Tekst: Stefan Zwaneveld




